RADIOPROGRAMMA “DE BLAUWE VERWARRING” literair concept geschreven mei 2004- dec 2004 ; -RADIO-VERSIE- -------------------------------------------------------------------------------- Het gaat over iemand (: mij) die een vergissing maakt door iets te zeggen dat door een ander al een definitieve verliefdheid wordt opgevat, of dat nu gewoon een openheid voorstelde of niet. Terwijl het voor de ene dan gewoon een kwestie werd van deur open of toe, gaf het voor mij ten eerste een grote nadruk op een vergissing van wat gezegd is, en ten tweede toch een ‘blauwtje’ in de zin van verloren zijn van een gehele context : * Tirill : “It was blue” 4 min + 1 min In de verte het blauw en blauw is het verste. Ik blauw mij ver van hier, met een blauw oog, en geen blauw ogen. Ik heb een blauwtje opgelopen. De zon is geel en brandt, brandt hard. Uw oog wordt doffer van mijn richting aangeven. Opstijven in de pers, en wit wordt de was die ik is, en (die) nu als was smelt, voor het blauw, ik wil nu weg van hier. Al wou ik liefst dat ik hier in de zon geboren was. * Born Heller : “No more lamps in the morning” 4 min -9 De bomen, zijn scheef wapperend als een vlag happend naar wind, en zo is ook de rug van mijn arm-haar, waar de wind in snijdt ; en het vlees scherp en week is. Zet u neer in de bank mijn arm en zink in de russen, en voel het ruisen hier vanbinnen, en het hele huis dat verlangt. * Sharron Kraus : “The Song of Dance and bees” 6 min +1 -15 Toen ik haar ging bezoeken moest ik mij verantwoorden over wat ik allemaal bedoeld had. In deze voor mij onwennige situatie presenteerde ze me een koekje van kabouter Plop. Ik vond dat heel grappig. Het gaf iets absurd aan de situatie. Als de broer van mijn vriendin, de Rik, het leven, en een onwennige situatie, wou relativeren zei hij altijd : “op mijn begrafenis alleen broojkes met kaas en hesp, want die met filet Américain blijven toch liggen.” Voor mij is’t nu : den tijd van biekes en “epsen”. De biekes die schuren de wind in stukskes. (bzz bzz) En in het verlengde van de geur van bloemen trillen die stukskes aan elkaar door werk erin, door werk eraan. Geef u maar als de biekes. Ik geef u echter bloemekes volledig uit de context : als kabouter ploemekes. Het is nu herfst voor ‘epsen met ‘oning, Met de boon voor de koning, En de appel voor Adam die valt vanzelf in het werk erin. We vallen neder, in het gezoem van het brein, Dat ons in deze koekskes van kabouter plop deed vervellen. We vertellen stukskes. Het brein wil dat alles zo graag verzoenen. ’t Is de tijd van biekes en epsen. De biekes schuren de wind in stukskes. In het verlengde van de geur van bloemen trillen die stukskes aan elkaar door werk erin, door werk eraan. Nu, wat jij had gezegd, (of hoe jij tegen me was) was me als zoete broodjes. En ik had graag die ‘eps met honing tussen de boterhammekes gelegd. Maar ’t is geen tijd voor de biekes en ‘epsen. "Die me ‘eps blijven liggen". Zoete geuren waren als breingolven op reis, op zoek naar de koningin der dingen die de bloemengeuren, de honing en de biekes in een weg kon verzinnen. * Sharron Kraus : “Eternal Love” 3 min + 2 -20 Maar nu is de ‘plant’ te veel verschoten, (verschoten) als van een hond die blaft. Als ’s avonds iemand de blaf-t-eturen toedoet verschiet ook ik. Verder is er geen rust, in de roest van de situatie, en is’t ijzer zo warm, in de vlammend,warme pan. Koekloos kijk ik, en roekeloos staar ik, een koekoek ben ik. Nu is de plant teveel verschoten, als van een hond die blaft. Als ’s avonds iemand de blafteturen toedoet verschiet ook ik. Maar de pot is echt, en de potaarde is vers ! Pottoe kan ik opvullen, pot toe, en dekseltje toe. Verder is er geen rust in de roest van de situatie, en is’t ijzer zo warm gesmeed, in de vlamm-mend warme pan. Koekloos kijk ik, en roekeloos staar ik, een koekoek ben ik. De mens heeft zich er aan gehecht. Zijn wortels zijn voor het paard van St.Niklaas,dus nu niet, nu geen grond onder mijn voeten. Pottoe. Pottoe. Maar de pot is echt, en de potaarde is vers ! Pottoe kan ik opvullen op de pot, toe, en het dekseltje toe, goed sluiten. Is er alles open nu, en rotsvast, in een overtuiging van een last die nergens past. (als Strooisel). De stropop stapt op en wordt in brand gestoken. Laat de engelen van mei het offer smaken. Nu is men wat er rest aan het lijmen. Dat wat stuk wordt, en wat stuk gewoeld werd als door een muis,-ééntje met luide stem-, is dat wat nu stuk gewoeld werd. Verder is er geen rust in de roest van de situatie, is’t ijzer zo warm gesmeed, in de vlammend o zo warme pan. Koekloos kijk ik naar wat er nu nog uit te redden valt, als Hansje, haastig op zoek naar zijn broodkruimels. Ik zocht met rammelende rammelende honger naar iets eensluitend, het wordt nacht. De rolluiken zijn dicht. Ik wil iets van mijn gedachte nog dichten bij het licht. Alle aarde valt uiteen. De pot is uitgeschud. Die pot, ja, die pot is niet meer. Die situatie is niet meer. 'Grietje' was wel echt. Alleen is hier alles nu vreemd. De stropop stapt op, die brandt goed in de herfst. Laat de engelen in mij mijn offer van het lentevuur mijn 'ik' nu maar aansteken, met mijn stem als een rietblad, maar juist luid, als een hond, doet het alles te niet. Ik zag je in een koekoekplaats verlicht. Alles bulderde en scheen, en alles scheen er omheen gemaakt te zijn, als potaarde, verspreid in het deken (van de grond), vertrappeld, maar al toch het groen tegemoet. Mijn gezicht richt (zich) nu op de zuster van het gekende, die in blakende gezondheid is, en die rilt als een rietblad ; en met de stem van de luide hond op de achtergrond, vergeet me je niet. * Pentangle : “Cuckoo” 5 min + 2 -27 Over de koekoek, als symbool voor het eerste verlangen in de lente, terwijl zij de onschuld achter zich laat : Het onschuldige lentekind laat ons bepaalde woorden kiezen. In het verlangen naar de zomer wil het zin krijgen in deze nacht. Die onschuld breekt, door in mij te ‘kiezen’. En zich nu richtend in verlangen, is het als een vreemde koekoek die luidt. De onschuld in mei wordt gebroken door de vogel van het eerste verlangen : de koekoek. Nu is dit hier van niemand meer, en niets herkent men nog in haar gezangen. Wanneer het groot is, of wanneer men groot is is het lentekind er niet meer. De hemel is dan zwaarder, en de takken zijn voller, en alles heeft zijn duidelijke naam gekregen : hier lijkt het zelfs alleen maar dat het ene het andere eet. De hooggeworden schaduwen straffen alle resterende onschuld. Het grote geheel van alles trekt die schaduwen voort. En de grote boom van wat samenhangt wordt de realiteit over de droom. In deze nieuwe wereld van groten, is iedereen gelijk van strijd : - de eerste keuze was het verlangen. - wie uitspreekt doet alles leven. - wie kiest die heerst. Geen zweem van schoonheid meer, want het wonder wordt nu overdonderd in feite door ..wat je maar wil. En elke keuze vertrappelt zelfs de meest stilgehouden wil. Elke keuze zoekt zijn schuldige en zijn schuld, tenzij de stam van het verlangen ook de plaatsen voor de vruchten vult, want dan alleen komt elke keus terecht. Het onschuldige lentekind liet jou woorden kiezen. Mijn zingeveving in de nacht deed mijn grond verliezen. De onschuld breekt nu uit, in zweet en tranen. De koekoek vertelt heel luid wat vreemd was, terwijl het niet genezen was. Ontwikkel toch alleen maar wat heerst over al het los geworden verlangen ! Ontwikkel toch alleen maar wat heerst over al het los geworden verlangen ! Je kunt het ook zelf beheersen. * Carmen (with Jokke Schreurs) : “Leven/Nevel” 4 min + 1 -31 -Het volgende lied dat ik laat horen schreef mijn vroegere vriendin. Het gaat over de tegenstelling van het romantisch op wolken leven, met het ingaan op elk verlangen, dat toch tegengesteld was aan wat de realiteit nog allemaal in zich draagt, namelijk soms ook dingen die er tegengesteld aan zijn. Het is gemakkelijk in het verlangen van de droom te leven, maar het is in het leven zelf dat we er iets van moeten kunnen maken. Men moet dan zien of dat ook werkelijk gaat of niet. Soms is het leven toch tegengesteld aan die “nevel”. Terwijl mijn achternaam Van Waes is, met het woord waas dat nu een synoniem is voor deze droom-waas, of een ander woord voor nevel, is het ook zelfs voor mij uiteindelijk het leven zelf dat geleefd moet worden en dat het meest beslissend zal worden.- Terwijl het lied over de tegenstelling leven / nevel gaat, heet mijn nieuwe inspiratie erop gebaseerd als / sla en sla / als want.. Als alles samenkomt, de sla, de sla mij erin –(in) het blad. Met de hand op de zinnen, zeg ik rond zijn de dingen, als. Als-sla, sla-als.De dingen. Nevel - leven. In de dingen. Sla je slag erin te geloven, of te zijn. Ik verbind nu als de zingeving, terwijl het leven zelf me bindt. * Bülent : “Kediler” 4 min * Bülent : “Yagmur” 3 min -38 * EEN ESSAY OVER ‘DEGELIJKHEID’. 25 min -63 1. Spreek me niet over zogezegde spirituele bevrijdingen en zo. De mens zoekt alleen naar zijn gemak. Men zoekt alleen op waar men zich gemakkelijk en veilig bij voelt. Men wilt geen inzicht in waar men moet verbeteren. Men wil geen confrontatie die zich echt verder zou brengen. Men wil alleen zijn gemak. Al de rest is ongewenst. Wat echt zou bevrijden wordt liefst niet op gelet. Wie men zoekt, of wat men ook zoekt : men wil in feite alleen de illusie krijgen, dat men iets wil herkennen, dat wat hem/haar morgen een betere dag zal bezorgen dan gisteren. Alleen in wat de kans in zich heeft dat het hem/haar morgen een betere dag zou brengen dat wil men herkennen. Men is helemaal niet geïnteresseerd in iets anders, of heeft geen andere reden dan dat, wat men ook mogen beweren. Er is geen oog voor degene die werkelijk verandering kan brengen, of voor wie inzicht brengt, of voor wie bevrijding brengt. Men wil geen bevrijding, men wil alleen een rijkere vorm van gemak. 2. Naar wat ik hoorde van oudere mensen, en naar wat ik historisch en in bepaalde culturen nog kan achterhalen, lijkt het me, dat er vroeger, zelfs niet zo lang geleden, een soort van onuitgesproken of toch onbeschreven ‘degelijkheid' bestond, van wat maatschappelijk aanvaardbaar is in communicatie, (en) die zo gegroeid is omdat zij praktisch is, en in zekere zin bestaat dit nog, ook al is deze (in haar toestand) zo goed als verward geworden. Ten eerste is er veel emigratie bijgekomen, (zowel van binnenland als van buitenland) met mensen die, wat hier zich heeft opgebouwd als zijnde respectvol, dit niet direkt overnemenen of respecteren, ook al bijvoorbeeld omdat ze zich anders hebben leren beschermen (en afschermen), en omgaan met andere gewoontes, die dan wel als degelijk worden beschouwd, ook al zijn ze soms in praktijk zelfs grotere en naïevere beperkingen, waarbinnen men de illusie krijgt ermee beschermt te zijn. In elk geval zijn een hele boel normen en conditioneringen niet onmiddellijk rechtstreeks verzoenbaar met wat onze plaatselijk opgebouwde ‘degelijkheid’. Praktisch gezien overheerst, in deze soort chaotische toestand van confrontatie, in de plaats daarvan liever voor hen toch maar eerst iets dat alleen maar door onmiddellijk zelfbehoud gekleurd is, en dat daarom automatisch zeer egoïstisch en egocentrisch van aard is, zodat dat soort sociale integratie, tot en met de soort vrijheid die wij dan bvb. hebben, -en die onze ongeschreven degelijkheidsnorm ook toelaat-, en die ons die sociale vrijheid ook verder biedt, op een te korte tijd niet meer verwezenlijkbaar blijkt te zijn, en die zelfs niet meer bereikt wordt. Nu was het vroeger zo dat heel wat van de wetten zich grotendeels op de ervaringen baseerden, die uit die (eerst genoemde) degelijkheid voortkwam, met de "menselijkheid" of de menselijke factor als de uitdaging, en als de leidraad om deze ongeschreven wetten eventueel toch nog te verbeteren, zodat we 'menselijk' voor elkaar konden blijven binnen een bepaalde, nog steeds spontane sociale orde. Langs de andere kant, had je natuurlijk ook een deel van de mensen, zoals die zonder vast huis, of zij die reeds gefaald hadden, of die verstoten waren of dergelijke, de zogenaamde "oneervollen", die zich ook daardoor niets meer van die degelijkheid en wetten aantrokken. Dit waren zowel de thuislozen, de verstoten, als de echte rovers en (de rondtrekkende) veroveraars. Het is natuurlijk wel zo, en dat is nu ook zo, dat het ook is beginnen gebeuren dat zulke rovers zich op ten duur zo machtig hebben weten maken dat zij overal zitten, en overal mee de geschreven wetten hebben laten veranderen en aanpassen. Die soort (geschreven) geschreven "wetten" zijn ook niet meer geïnspireerd door ongeschreven, zich spontaan opbouwende ‘degelijkheid’, maar nu ook door toedracht van de persoonlijke en onbetrokken voordelenvan de rovers en profiteurs. Dat onevenwicht op zich heeft al een stresserende invloed op mensen. Mensen zijn zelfs daardoor meer en meer een chaotische mengelmoes geworden, door zich ook daaraan aan te passen, van nog een stukje degelijkheid en spontane sociale aanpassing, en al meer een echt egoïsme, en van ik-wil energie, uit overleving daarin. En nu geld ook nog een leidraad is geworden, als leiddraad, en niet meer de initiatieven die mensen drijft, is het allemaal nog moeilijker geworden... * We mogen ook niet vergeten hoeveel ongeschreven en praktische geïntegreerde degelijkheden we hebben opgebouwd met de jaren. Door een meer chaotische toestand van overleven met heel wat tegenstellingen, beginnen er ook nog eens meer en meer mensen bij te komen die emotioneel en naïef, uit een soort verlevingsinstinct, het resterende herkenbare bij elkaar willen graaien, omdat ze zich met iets nog terug veilig willen gaan voelen. Deze overlevers zijn simplistisch geworden, of nationalistisch, en delen de wereld in in goed en kwaad, en jaagt als in een droom, allerlei illusies van eigenschappen na. En hierbij reken ik ook degene die geloven in blinde algemene verdraagzaamheid, en het alles willen doen voor de vrede en dergelijke, vergetend dat we ons ook nog moeten beschermen tegen de rovers van elke soort vrijheid, en met dit tegen de teloorgang alle menselijke beschermingen die we hebben opgebouwd, en die de goeie kant zijn geworden van ons Westers model om ons een zekere bewegingsvrijheid te geven, want heel wat nieuwe rovers en schrikkepieten-uit- zelfbehoud hebben misschien wel eens geen enkel respect voor die vrijheden die we ondertussen hebben opgebouwd, en die voor ons een toch nog een belangrijke basis zijn voor een vrijheid om te bewegen, om te spreken, om te handelen binnen een nog steeds sociaal rekening houdend kader. ‘Naïeve verdraagzaamheid’ tegenover alle rovers en alle schrikkepieten-zonder-genoeg- respect kan misschien ooit wel eens gaan uitdraaien tot een aanvaarden van grotere simpliciteit,. Stel je nu eens voor dat niet alleen een aantal rovers wetten veranderen, maar ook nog eens dit soort schrikkepieten erbij worden toegelaten, zeg ik dat zij juist alles terug in keurslijven willen steken. Daarbij zullen leven en de menselijkheid, onder het mom van zelfbescherming, juist volledig aan banden zal worden gelegd door een tirannie, en teloorgang van die eerste vrije vorm van degelijkheid, om te worden vervangen te worden door een godsdienstige of gedienstige tirannie, die zijzelf wel degelijkheid noemen, maar die in feite de mensen terug zo arm zouden kunnen maken, als dieren. Ik denk persoonlijk dat religieus fanatisme, -we hebben hier veel meegemaakt met christendom-, nu zullen we nog’s meer en meer zien met Islamitische fundamentalisten, mensen maakt die op ten duur zelfs niet meer omkunnen met gelijk wat voor vrijheden. Voor hen wordt alles een agressieve strijd, ook omdat ze veel primitiever gebleven zijn in hun instinctief handelen en aanpassen. Waar voor hen een vrouw een lustobject is dat moet bedekt worden, is niet omdat de vrouw een lustobject is, maar omdat zij nu eenmaal in de sociale omgang met vrouwen onderontwikkeld zijn, en omdat zij daarom met de vrouw niet meer respoectvol en normaal kunnen omgaan. Als ik en u, op voorwaarde dat we onze ‘degelijkheid’ goed hebben opgebouwd, zonder verwarringen van overlevingsdrang, een schaars geklede vrouw in een verlaten straat zouden tegenkomen, zouden we ze met rust laten, terwijl al degenen die verward worden in overlevingsdrang of onder gelijk wat voor dominantie, zich niet meer kunnen beheersen in gevoelens, die dan op ten duur alleen nog maar bestaan uit het volgen van conditioneringen, puur instinct, haat en weerwraak, wat in sociale zin cultuurloos en zelfs barbaars is. We moeten beseffen hoe belangrijk het is dat we iets zeer eervol en degelijks hebben opgebouwd in onze maatschappij, met de vakbonden, ziekenhuizen, alsook meningsuiting enz. iets dat slechts door allerlei soorten rovers en schrikkepiueten verknoeid kan worden. Nu zijn er reeds rovers. De schrikkepieten wijzen erop dat er bij ons iets mis is, nl. de rovers. Dat is de zwakke plek. Vele, maar niet alle, schrikkepieten, maar ook bij degenen die beperkende beslissingen willen nemen, zijn zelf echter evengoed ook rovers, niet zomaar rovers van de macht, maar eveneens zelfs van de vrije, westerse algemene degelijkheid zelf. Als we hen laten doen is die menselijke kant ervan in gevaar, die zelfs in gevaar is met het aanvaarden van een meer primitieve mening. * Wat ik ook onpraktisch vind is een veel te sterk lineair “eenheids-denken”, voorlopig in mindere mate in Europees politiek denken, omdat zij tot nu toe nog steeds compromissen uitvoert, maar men iets dat wel sterk bestaat in het patriottistisch-Amerikaans denken, en in het algemeen nog steeds aan populariteit wint in het zogenaamde religieus denken. Hoe meer men 1 idee nastreeft, hoe meer men (tegelijkertijd) de veelheid van mogelijkheden verstart, en die mogelijkheden zelfs uitsterven of extremer worden en op overlevingsdrang gericht worden, simplistisch, strijdend en zelfs destruktief wordend. Bij het nastreven van 1 uniferend idee, wordt het web van mogelijkheden dat ons samenhoudt, als onze "spirituele blauwdruk" van mogelijkheden, en onze logica ontbonden, en met haar (-op dezelfde manier verdrongen-) de volledige verscheidenheid in de natuur. Het overnemen van de wereld met de mens aan top heeft alreeds gevolgen op het natuurprincipe Van variatie. Per dag sterven er andere natuurspecieën die waarschijnlijk allemaal (tegelijkertijd ook) voor een principe van die variatie staan. Het egoïsme van overleven is altijd ten koste van iets en iemand anders. Het profiteren van al dat wat eigenlijk eerder was opgebouwd uit degelijkheid, is nu al veel primerender dan het verder opbouwen en uitbouwen en vergroten van die mogelijkheden van die wat allemaal ook degelijk kan zijn. Die eerste vrije 'degelijkheid', die in zijn essentie van groei, door een menselijke beweeglijkheid gestuurd werd, verdwijnt als mogelijkheid om nog door die menselijk kant gestuurd te worden, en geraakt stilaan ook zo sterk in de schaduw, tot die onderliggende levensvatbare structuur niet meer overleven kan zonder verdeeldheid en verder gefragmenteer in meer en meer onpraktischheid. Misschien zal het verder en verder profiteren ervan op ten duur zelfs het groepsegoïsme van rovers op globaal vlak (op dezelfde manier) niet meer kunnen standhouden.. Vroeger heb ik ooit eens gezegd : "dat in principe van alles kan geprofiteerd worden. Waarom zou men dan, zei ik dan, de dingen (en wetten) niet zo kunnen beschrijven dat de zelfs tegenstelling ervan en het misbruik ervan zelf geen kwaad kan ?..." maar dat is gemakkelijk gezegd, want op zich hebben we dan ook nog bepaalde ‘proporties’ nodig waarbinnen dit mogelijk kan gemaakt worden, dat zelfs die tegenstellingen ervan, ergens binnen een leefbaarhoudend kader opgevangen kunnen worden. Verder is het natuurlijk ook zo dat (geschreven) "wetten" altijd de realiteit achterna hollen. Snel(ler) evoluerende veranderingen kunnen soms zo snel ingrijpende, nog verdere veranderingen, met zich meebrengen, dat de langzaam opgebouwde beschermingen, en alle opgebouwde rechten, in een mum van tijd onpraktisch zouden kunnen worden, omdat ze niet meer toegepast kunnen worden, dat er zelfs nog geen sprake meer kan zijn van een eventuele aanpassing (die eventueel nog zou kunnen volgen). Wetten op zich worden altijd gebruikt om voordelen uit te halen, dus ook om misbruikt te worden voor egoïstische motieven. Overleven in deze maatschappij kent immers alleen de regel van het 'zelfbehoud', dus is zij van nature eerst egoïstisch, en dan pas familie-of eigen-gemeenschap gericht, en dan pas globaal en in een grotere socialere context. Tot die grote sociale context komen alle 'nieuwe (egoïstische) elementen' zelden, omdat haar eerste basis de profiteerdrang of overlevingsdrang is. Ik geloof niet dat deze maatschappij de langzame evolutie die uit degelijkheid voortkwam nog lang kan standhouden, tenzij men ook deze beter gaat verwoorden, en volgens een bepaalde methode. Psychologie heeft gelukkig al een paar van dit soort degelijkheden kunnen verwoorden, in de vorm van de verschillende soorten intelligenties (-de rationele, emotionele en spirituele intelligentie-). Deze 'uitvindingen' kunnen voor ons principe van menselike vrijheid en sociale aanpassing te beschermen, misschien nog heel handig kunnen blijken. In principe is een groot deel van de praktijk op zich redelijk simpel. Met gezond verstand kan men de waarheid gemakkelijker achterhalen. Men kan zeggen, er is ofwel dit 'streven naar degelijkheid' (en dat is niet hetzelfde als een persoonlijke eer, maar als een sociale beweeglijkheid zonder een ander kwaad te doen)en er is ook een 'profiteren' van wat er is, en het zich niet aantrekken van een sociaal evenwicht in communicatie. Bij een teveel aan profiteren van de maatschappij zelf, kan ze zichzelf economisch als systeem niet overleven. Maar de mens is van nature lui en egoïstisch, en pas in mindere mate sociaal-realistisch bewogen, laat staan daarin vermogend op gelijke wijze. Zowel egoïsme en profiteren zijn op zich doorzichtig. Toch wordt het egoistisch profijt-halen op zich niet als een falen herkend in deze maatschappij, omdat zij binnen het overlevingsgroei- principe van de economie, als sturende drang een zeer aanvaardbaar gegeven lijkt. Nu zou bijvoorbeeld een 'spirituele intelligent' begaafd iemand (zich baserend op de psychologie-principes van ‘spirituele intelligentie’) in principe kunnen herkennen wie profiteert, en wie daarbij ook ergens schade berokkent, en bij welke hoeveelheid en grootte dat ook een schade betekent aan de maatschappij of aan een ander. De meeste dingen kunnen op kleine schaal geen enkel kwaad, maar bij vermeerdering overheersen ze. Met hulp van bijvoorbeeld zo een intelligentie zouden we in de maatschappij, en dit uit noodzaak van globale overleving van de maatschappij zelf, alles binnen grenzen moeten houden van de deze kleine, letterlijk op alle vlakken toepasbare "menselijke schaal". Alles wat de menselijke schaal overstijgt wordt automatisch even gemakkelijk ‘onmenselijk’, zowel op politiek, religieus, sociaal en economisch vlak. Natuurlijk kunnen alle geschreven "wetten" hoe men ze ook verwoord, steeds weer misbruikt worden, maar met een extra wet op de menselijkheid, en nog veel belangrijker de "menselijke proportie", in combinatie met een gezonde logica, zouden samen, eerst in theorie, misschien als een extra bescherming kunnen werken, maar men zou het denk ik ook wel kunnen uitwerken als een nieuwe soort verwetenschappelijkte degelijkheid, die ons beschermd tegen fanatisme, tegen geprofiteer, of i het algemeen tegen alle soorten onmenselijkheid, wat dat in een grotere sociale context ook betekent als nog praktisch en beweeglijk. Wat de menselijk proportie betreft kan ik zeggen, dat waar mensen betrokken zijn, men duidelijk gevolgen kan zien die onmenselijk of menselijk zijn, en men daarin de mensen kan tegemoedkomen om er iets te veranderen. Al die -eerder genoemde- verschillende soorten intelligenties kunnen daarbij gerust helpen. Ik ben bvb. blij gehoord te hebben dat rechters –ik geloof in Gent- voor ze benoemd worden eerst moeten slagen voor een test van emotionele intelligentie, iets wat ik voor zulk een oordelingsvermogen ook zeer logisch vindt. Al die zgn. intelligenties zijn niet bedoeld om zich zomaar te laten of te gaan bewijzen in een soort van “passeertest”, maar gaan alleen maar daarover, dat binnen een zekere bevestiging op een degelijk niveau van deze intelligentie, het menselijk evenwicht tussen zeer verschillende mensen hepelijk beter kan behouden wrden. -Ook politieke beslissingen boven een bepaalde schaal kunnen gemakkelijk en bijna automatisch zorgen voor een onmenselijkere praktische vormen. Toch kunnen op grotere schaal andere zaken zoals meer ‘abstracte waarden’ een veel grote schaal aan, zonder kwaad te kunnen voor hun verschillende soorten praktijk op kleiner vlak of op verschillende toepassingen. Ik denk persoonlijk dat deze "schaalmeting" van menselijkheden, en van praktischeden, zowel economische, psychologische, ideologische, als over andere ingrijpende waarden, een soort eigen wetenschap op zich kunnen worden, en liefst zelfs zouden worden, eer alles buiten onze controle begint te vallen en gelijk wat voor waarden zo beperkt worden dat ze nog destructief worden. Er zijn bepaalde vragen belangrijk om die ons te stellen. Het zijn vragen als : wanneer is 'expansie' van gelijk welke groei of idealisme nog bevorderlijk, en vanaf wanneer wordt ze destructief, en begint het alle andere potentiele mogelijkheden te overheersen ? Het is met ‘gezond verstand’ zelfs gemakkelijk in simpele woorden in te zien, en dit te verwoorden. En ik geloof helemaal niet dat er voor gelijk wat een zogezegde – overkoepelende- ‘1 persoon’ nodig is, met een sterk bewustzijn en met overzichts-inzicht. Wanneer men bepaalde praktische leidraad-principes voorhanden heeft, en er voldoende materiaal voorhanden is, kan men sociaal en menselijke conclusies trekken, geholpen door die eerder genoemde intelligenties, en met een eerder -voor iedereen die die zich moeit- een uitvoerende rol ten gunste van de praktijk. Een andere uitspraak die in dit verband nog in mijn gedachten zat is de volgende: "-Boven een bepaalde grootte in organiseren komt er altijd een geprofiteer en een overheersing bij te pas, en is er altijd ergens een “ten koste van” dat er bijkijkt. Ja, dat is zo bij mensen die buiten hun proportie “rijk” zijn, dit onderhouden ten koste van anderen. Soms kan men zeggen dat dat gebeurt met hulp van anderen, en zo wordt soms het doel gezamenlijk verteert, in een eigen soort gemeenschap, maar het is alleen maar in een innerlijk rijke gemeenschap dat ook de menselijke kanten ook gegroeid zijn. In een kapitalistisch systeem is er geen grens in het groter en rijker worden en een mate van profiteren, en zelfs weinig controle over de onmenselijkheid dat het zou kunnen veroorzaken. Ik denk wel dat binnen het uitbouwen van systemen met menselijke proporties, dit patroon niet meer zo sterk of minder vaak zou kunnen voorkomen. Politiek zou zich evengoed alleen met dat kunnen bezighouden, eerst in het aanpassen van het systeem, en dan in het menselijker maken van het systeem, en eigenlijk niets anders… Hoe dat in praktijk zou gaan, wil ik het wel’s een andere keer over hebben.. In ieder geval kan men energiebeheer, landbouwvoorzieningen en economische haalbaarheid van projecten gemakkelijker onder qualitatieve controle en alles lonend houden binnen een bepaalde “menselijke” grootte, en ook bedoeld voor een bepaalde menselijke proportie. Het spijtige is dat men elektriciteit, alsook heel wat andere voorzieningen al van in het begin af aan is beginnen uitbouwen met in het achterhoofd een vorm van profijt, en niet alleen om de economie draaiende te houden, maar dit ook voortkoimend uit werkelijk profetariaat, die sommigen superrijk en machtig liet worden buiten menselijke proporties (niet alleen op de manier hoe electriciteits-voorziening opgebouwd werd in te grote controlerende en eigenlijk energie-verspillende systemen (met een opslagsysteem en met een staatscontrole), maar ook aan de olie, en hoe het uitgebouwd en gebruikt wordt op een grote schaal, alsof de manier hoe dat alles verloopt de enige mogelijkheden zijn om motors draaiende te houden). Het vraagt soms een andere manier van denken, met de zogenaamde risico's, dat dit heel veel zaken verandert door dit terug kleinschaliger te maken. In ieder geval, is men, bij het in grote landbouw-project-denken misschien ook wel zelfs buiten de "aardse" proporties beginnen geraken bij wijze van spreken. Als laatste wil ik nog iets zeggen over die 'menselijke proporties'. Nog een van de nadelen van ‘Rijkdom’ is nog dat het bij anderen concurentiële neigingen oproept, -tenzij onder de voorwaarde van een gezamenlijke interesse, of een gezamenlijk gebied van interesse, die anderen die dit interessegebied niet delen, ook niet meer concurentiëel maakt-.. Sommige rijkdommen zoals "kennis" (in wetenschap) kunnen met het onderling uitwisselen bij de gelijk-geinteresseerden in hoeveelheid ook gemakkelijker vergroot worden ; er komt zo een 'algemene' factor bij kijken waar elk individu mee aan het geheel bouwt, en waarmee het ‘geheel’ verder kan bestudeerd worden..." Bij voldoende uitwisselingsmogelijkheden bij gelijk- geïnteresseerden is er zo slechts een minimum aan deze concurentie-ongelijkheid. Want er is nu immers het gezamenlijk doel dat hiervoor compenseert. Iedereen wordt hier even rijk, en wordt deel van een rijker wordende cultuur. Ook hier kunnen weer nieuwe opmerkingen worden gemaakt, maar dat is stof voor een andere keer. * Nog een laatste opmerking. "Geen enkele theorie is echt zo belangrijk. De praktijk hoe men ermee iets gemakkelijker kan oplossen is voor mijn partveel belangrijker…" * Soponye soundtrack 4 min -67 Beïnvloed door de Koreaanse pandori-zangstijl schreef ik de volgende tekst : Ken je (de pijn, verlicht door) zange streken, wrange lichten, (bangelijk voor jou), (zeemzoete gedichten die zich) verhalen (voor jou). ken je (het zijn zelf dat leven geeft aan zichzelf, aan jou aan mij) die het hoort en zingt en uitwringt ? Herken je (de pijn, herinner je hoe je moet) zijn (als je het geeft aan jou aan mij), als in een gedicht die als de maan is die je verlicht in de donkerste schaduwen van uw niet-zijn ? Ken je worden dat als koorden opklimt omdat het zichzelf is (en zich uit, en zo zijn leven uitleeft in plaats van het in zich(zelf te) zetten ; ) hou vol jij die standvastig de schotten zet voor zij die (het licht niet zien, maar) het tekort bij jou willen halen ? Iedereen wil vooruit meneer, maar ik hier (ben de) geest (en) heb het (vast, en Ben het). Iedereen wil (het) morgen beter (hebben dan vandaag ) (en) zoekt hebzuchtig het tekort in zijn maag. (Terwijl ik de) honger (herken en) verken (en) uitteer en verteer (en mij doet werken en uit)werken, (doet) ploegen, (is het dat, dat) die aarde tot goud (maakt, als ik die ze bezingt), tot ze vruchten draagt (,tot zelfs) in de uithoek(en) van je slijk. Hoor de regen je tekorten (weg)spoelen, voel de emoties je (over)spoelen., (als ik zing deze) pandorie of pandarij, (en kijk je me) niet meer (aan als) de vreemde. Ik vul niet (je tekort) aan, (maar ben toch wel) de geest die (al) het tekort geneest, (die doet) vloeien, boeien, (en dat) wat weg was, (en wat) is geweest, (weer) tot zijn laat komen, alsof de droom (altijd) (al) realiteit is kunnen zijn. * Spoponye soundtrack part 2, 5 min + 1 -74 Strokleurige distel. Prachtige kleuren. Pijn. Prachtig- e kleuren. Zonsondergang in distelkleuren, als ik jou zie, aan jou denk. Jij kunt pijn prachtig voorstellen iets graag te zien, is graag te zien. Het is mijn einde om (nog) te kunnen kiezen, zonsondergang. De distel weert zich goed en toont nog wel al zijn kleuren. Het is geen pauw maar heeft zijn oog voor wie een oog heeft en ziet. “Pijn, prachtige distel-kleuren.” * Prachtig, als ik jou zie, als ik aan jou denk, dat ik je niet kan bereiken, behalve dat je glimlacht in zo’n mooie kleuren ; strogeel licht -(er) op (het landschap)- in de “twilight” zon. 25 juli 2004 * dit : pandori-achtig gezongen TOT HIER DEEL 1 ?? -------------------------------------------------------------------------------- * The Search Party : "All but this" 5 min +2 -81 Wanneer ik haar terug zag tijdens een etentje zag ik haar blauwe ogen. Ik kan beter niet te diep kijken. Ik zou willen vertellen hoe ik ondertussen leef, maar ik kan het niet : “Niet kijken!” Hier kijkt de vis in de bokaal naar de blauwe ogen. Verberg mijn gezicht ! Maar ik heb er geen. Ik heb een wijd zicht. Het platte land van Vlaanderen, en ik zing. Kijk maar, maar ik kan niet laten zien, waar ik in wegvlucht, in mijn gewoonte. En in het huizeken op't platteland. Ik zie, maar weet niet wat ik zie. Ben, zijn, het is allemaal zo gewoon, en pijnlijk. Ik wil er niet zijn. Ik weet, maar heb de macht der gewoonte. U bergt de takken op voor de winter. Het gaat een vuur worden, lekker warm. U hebt het warme deken in het gezicht, dat fris geworden is van de koude. Terwijl ik, in de macht der gewoonte niets hoef te verzamelen, en naar niets hoef uit te kijken. Ik kan alleen zien, naar een wijds zicht,… Een klein oog, oh neen, ik mag niet kijken. Het is een vrije wereld, die ook heel gewoon is. Het is als een vis in zijn ronde bokaal, met zijn wereld die oneindig is en toch dichtbij. Ik hoef niet veel meer te zien. Ik ben erin verloren, (en) u hebt slechts het gevoel (-van “verloren”-). Gevangen in de macht der gewoonte vult zich alles op en ik verteer. Ik verteer. Ik verteer het niet meer. U, als het luchtig slaatje, en ik als het patatje, njam njam. Kom ik terug thuis en verlies mijn gewoonte. Ik heb (nu) het gevoel (van) dat verloren zijn, (van) dat hier "niet thuishoren", (dat) met die blik, een geluk is, en bereikbaar is. Ik wil zien, niet kijken. “Niet zien!”. Ik heb een wijd zicht. Als een van vis in een blauwe wereld, die rondkijkt en rondziet. * Anthony and the Johnsons : "Cripple and the starfish" 5 min + 1 -88 Ik weet dat ze binnenkort op reis gaat. Ze wil op reis gaan en alles achter zich laten : Een visje in een kleine zee zwemt alleen. Heen, breng mij hier weg, heen ! Steen stoneage. –maar wel : zonder gsm, zonder e-mail, zonder TV, zonder druk verkeer, zonder druk, (ik) ween, om die agressieve druk van die mensen van : "druk nu op mijn knop, voor al mijn verwachtingen !" Steen, (en) nog's steen ! Ik, op het water, de rivier, die brengt mij weg van hier. Op reis, op reis ! Op vloeibaar ijs als steen. Breng mij erover, over die weg van steen, (van) steen voor steen, in straten lang, te lang. Een visje zwemt in die wereldbol. Het is het ik dat reflecteert dit zicht, en zij is de vis. De vis die niet gevangen wil worden door het leven, maar (die) de oneindigheid wil zien reflecteren ! * Anthony and the Johnsons : The atrocities" 4 min + 2 -94 Mijn vroegere vriendin vertelde me ooit dat er een plekje is in de handpalm waarop je bij wijze van spreken, als je erop drukt, de hele persoonlijkheid en diepere ziel van iemand kunt raken. Of dat nu waar is of niet, die gedachte aan dat punt in de pols is me wel bijgebleven : Een geschenk dan, dat wenkt dan, en buigt dan af, komt thuis, en verdwijnt weer. Dit is mijn thuis. Kent u die muis van mijn hand ? Druk het niet te hard. “Druk” en het loopt weg. Dit is mijn huis, en thuis. Ik wou dat je even thuiskwam in die muis, en huis, en thuis, en kwam. (Als naar de zwemkom, of in bad een ontspanning)- Dit is mijn huis. Uitzichtloos oneindig. Ik mag (dat) nooit vergeten : dat thuiskomen. Nu kom ik thuis. Dan verlies ik het weer, bij wie drukt in mijn hart euh hand en de muis loopt weg uit huis. Dan verlies ik het huis, en heb ik geen thuis meer. -Met de druk in de pols, kan er iets geclaimd worden, dat wat het bloed doet stromen-. Maar ik heb geen echt thuis meer, (waar ik me thuis voel). Van mij wordt verwacht het bloed in het behang te laten stromen, en in de plafond, in de pijlers, die bij iemand anders thuis, iets doen opbouwen wat gemist wordt, wat ik zelf niet ben, wat ik zelf niet mis, alleen niet ben. - ook jij, vergis je niet, verlies je niet in de té stevige handdruk. Zeker van zijn stuk verliest de ontmoeting haar vrijheid, haar vrede. Dan wordt de muis in de hand eelt. Ik wil dat jij ook even thuiskomt in dat huis van vrede. Waar vind je die ? * In Gowan Ring : "The seer and the seen" 7 min + 3 -104 Weet je hoe trouwheid komt ? Als in een bries die weer verdwijnt, niet in een belofte in het zicht. Weet je hoe de wind dat verder draagt, en het volledig uit het zicht verdwijnt, als het zout in de zee. De weg is lang en breed en hoog en alle vormen. De voeten passen overal door er heen te gaan. En als de bries weg is, houdt zelfs de koude op, maar niet de trouw. De aarde is een weg met bergen, dalen, breed en lang, met groentes en pattatten. Er is eten genoeg, of soms weinig. Als ik of jij nu uit het zicht verdwijnt, houdt op een moment zelfs de droom op er iets over te vertellen. Dan is de verbeelding als een hol blad, dat valt, verdort en de wind wordt. En dan komt er nog een warme bries van een lente die men nooit verwacht. Zo zijn de pijnen van het leven, om te vergeten, en om in verhalen verteld te worden met iedere voetstap, heel de weg af, bol en stijl, of hol en vlak, de hele aarde af, de hele weg af, je hele reis. Ik heb een soort trouwheid aan de eerste bries. Soms waait zij, soms zaait zij. Maar niet de voeten: zij zetten halt aan de kant van de weg. Soms zien zij een herkenning of soms ook niet, (en) is zij één met haar gemis, volledig briesloos. Ik weet nu dat je de stappen voor de reis zet. En ik zet de stappen verder op de aarde. Op de aarde begint en eindigt mijn reis. De bries is sterk, maar (ze) trekt mij niet voort, want zij verdwijnt, en met haar de herinnering in die ganse reis. Zonder boodschap wordt het koud. Stap voor stap kom je dichter en ook verder. Trouw wordt nog een herinnering, een droom, de stem van de stilte die niet verdwijnt. De weg echter zet ons verder, trekt ons uiteen, en in elke stap dichter zijn we ook verder. Waar zet je je uiteindelijk neer ? In de trouw. De trouw zet je neer, alleen de trouw (zet je neer, alleen de trouw). * In Gowan Ring : "Kingdom of the shades" 7 min + 3 -114 Hoe kan ik dan, hier in dit hart de pen vinden, de stem die spreekzwemt ? Hoe, als er niets is? Hoe, als er niets briest en blaast, en mij nederzet. Ik ben het die wandelt en niemand else, -euh: niemand anders. Hoe kan de mens zich tot de trouwe nederzettingen (zich tot) nederzetten vinden? Hoe bestaat het dat de rover, die in feite de eerste reiziger was, plots het graan vindt, en het briesje daarin ziet, (en daarin iets ziet zwemmen met zijn woorden van vreugde, met gras om in te springen, en om in te rollen, in de wind van de aarde). Waar is de trouw in die quest gevonden, en waar behoort zij toe, waar hoort zij naar het geluid van de nachtvogels en de dagvogels van "blijf hier ?" Waartoe is dit verblijf ? Ver weg van alle rovers, (op veroveringtocht om te hebben, (om) te krijgen, (om) te verkrijgen). Het is ook de reiziger, die zal vinden waar de trouw aan de aarde op slaat. Bij de allereerste nederzetting was liefde de eerste plant die groeide, En die fruit bracht, die een oogst bracht, nog met angst voor de andere rovers, maar met grasland dat muziek was, met graan, waarin de zon als de glimlach in het gezicht scheen. Holder de bolder de belder succesvol met ook nog hooi op mijn zolder. Over de eerste molenaar, kent u het verhaal van de dochter. "Hoe kan het leven me iets bieden, tussen de veroveraars en de rovers ?" dacht de molenaarsdochter. Ergens werd het sprookje geboren van de prinses in het hoog hooi stro, van zij die proeven verzon voor de prins to come, om te komen. "Dat ze weg blijven", dacht die dochter. * In Gowan Ring : “Morning Waking Dream" 7 min =3 -124 In kleine lichtjes draden van een morgend. In het helder gedicht ik spreek u van de morgend, van de bries, en van de dauw, van het zicht in één, en over de trouw aan de zorgeloosheid, niet op naïeve manier zorgeloos, (maar als) de trouw aan de verder verzorgende gezondheid, dat niet veel is, dat niets speciaals is, maar dat er gewoon maar is, in het bewustzijn, in het bewustzijn opvoorhand, in de levenskennis, of noem het zelfs levenswijsheid, dat veel meer is als iets als mensenkennis. Het is de trouw aan de meest innerlijke stem ervoor te zorgen, (voor) dat (het) groeit en voor dat (wat) valt af. Dat verdwijnt en er toch nog is. Dat stil is en toch nog spreekt. Wie deze soort trouwheid stil in zich draagt, die ik wil ik volgen, op (de) paden en af, in bergen en dalen, in vallen,(en) opstaan, dan is het is allemaal gelijk. Die beloof ik hemelen van morgenden, en de hel van de nacht die nu geen kwaad kan, want zij verdwijnt dan, als een schaduw in de nacht die niet bestaat, met een nacht die wordt dan als een helder warme bries, met mijn, en onze adem. Dan valt niets te verliezen, en niets te winnen. De veroveraars en rovers hebben er niks te zoeken, want ze kunnen er niks bij winnen. Waarom wou toch iedereen van een ander zoveel (om te) willen, (en om er te) willen rapen ? De trouw waar ik over spreek die kan genezen, die doorstaat stormen, en is zelf een storm, of een bries, en dan weer windstil. Zij geneest, (en) is de geest der dingen. Deze morgend : het is deze morgend die ik met jou willen delen, als je er klaar voor bent, en als je het herkent. Er valt niets te winnen, en er is geen verlies meer, nooit meer. Geen confrontatie om de beste keus, om de beste mening, om de beste oplossing of om het slechtste verlies. -want dat huis ken ik door en door. Ik heb dat spel verloren. Ik speelde het keer op keer.- Waar ben jij die hoort deze stem die de stilte is, die kalmeert en die aanzet, (en) die er gewoon niet is. Dit zo goed als 'niets' dat zo welkom het alles tot niets maakt, en tot als bijna niets. -Dit ''nieuwe niets' van de gebeurtenissen' wil niet zeggen dat alles illusie is, maar wil zeggen dat je niet voor die dingen mèèr leeft dan voor wat ze zijn, want jij hebt iets anders, dat wel echt 'niets' extra brengt en die rust brengt, als een trouw, die ik alreeds deel, Altijd. * In Gowan Ring : "Wind that cracks the leaves" 7 min + 3 -133 Met de tijd. Het blad verkrakkelt. En blij is de herfst en het verlies. Verlies : wij hebben er al teveel gehad. Het ene blad verdrong het andere: allen in de veroveringstocht naar de zon waren ze in strijd, in strijd. -want wij hebben talenten, wij hebben ambities, wij hebben meningen, wij hebben gedachten, allen zijn ze strijd, en in tegenstrijd, en allen vochten ze om hun bestaan in de zon, en (om) een plekje om te veroveren in de zon.- Wat is de herfst nu blij met het verlies. Blij en zacht verkrakkelt elk talent, elke ambitie, elke mening, elke hulpeloze mening. Zij verliest haar zicht, en wordt "zacht", en weegt niets meer zonder water, en wordt gedragen door de wind, en wordt tot niets. Ik ben niets meer verschuldigd aan de zonnewende. Laat het in mij vervallen en wegvallen. Ik verlies alles, en ik win. Het is een mooie herfst en ik ben blij. Ik ben blij met niets meer. Ik heb nu tijd. Ik heb de tijd. Ik ben de tijd. Ik heb mijnen tijd gehad. In de herfst is de rust schoonheid, gedragen op de wind, tot niets, en niets meer, dan niets meer.. Het boek is gelezen, de tijd is af. En ik ben bereikbaar voor jou, en door jou, in de herfst van de dingen. Wanneer niets meer groen is, wanneer geen enkel blad meer recht staat, in de zogezegde winter der dingen, dan ben ik blij, want alleen daar ben ik bij jou of zou ook jij mij kunnen herkennen, indien ook jij het wegvallen van elk willen en van elk verlangen aankan en ook bij mij kan herkennen. In het zicht van de perenboom zie ik nog een laatste verdorde, en verloren peer. Álles is nu schoonheid. In het groen denken we (dat) ieder blad de schoonheid naar de zon toe (is). (En) Eén voor één groeit deze zijn weg, een weg die voor de boom zelf niet meer belangrijk is als een voortgezette droom, als niet meer dan een droom, als een tapijt voor heel wat dingen, behalve in wat die mooie boom ís. Want zij is. In de winter slapen de bomen niet. Zij zijn dan slechts wat ze zijn. Zij kijken bij wijze van spreken met rust om zich heen. Er is geen verlies, en geen winstbejag dan voor dit doel. Ook ik heb geen verlangen (of geen zich invullend verlangen). Maar ik hoop wel dat je dat ooit kon zien. --------------------------------------------------------------------------- * Antony & The Johnsons : "Soft black stars" 5 min + 3 -141 Soms zijn er bepaalde dingen die zogezegd het licht niet mogen zien. De essentie schijnt er soms heel diep vanbinnen door ondanks wat ze uitstraalt naar buiten : Waar gaat het (nu) stof naar toe? Verspreid is het deken; het is licht, wordt licht, en verdwijnt weer. Ik ben als de nacht, als het licht dat verdwijnt, als uw deken, uw ganse licht hemel. De ogen zijn donker en lichten op in de ganse hemel nacht en verdwijnen in een stem. De ganse hemel en het lichaam is de aarde. Het bed dekt zich toe. Hier is wat wij zien en zeggen, zien en niet zien en niet laten zien, dat is (als) uw stem, (en) als mijn ogen. Verdwijn maar verder in de nacht, in de schaduw van het licht. Donkere sterren, als vijfpuntige zeesterren bewegen voort, lichtjes in zwaar water. Ze zinken en overleven, en bleven.. blind. Het deken dat beschermt vind het ganse lichaam, en de ganse hemel die dekt dat toe. De ogen gaan dicht en zien niet, maar ze horen. Het zand van geruis van stemmen, als de zee van al wat er niet is. Maar wat is er wel dat verdwijnt in de hand die streelt, en in de ogen die het niet vertellen, of in deze stem die het allemaal is, als een sterrenvis. Als iets wat niet sterk is, dat ook nooit verdwijnt, maar verdwijnt. Het gaat in "koorden" waar het in water bijeen wordt gerijgd. Die stemmen brengen het water aan de oppervlakte, met de vijfpuntige sterren die blind zijn, op de bodem. Zij herbergen een soort van contact dat verder gaat dan van wat dood is, en dat doodgaat, en van wat niet gezien wordt en van wat niet gezien mag worden. Het verbindt wegen die niet besproken worden. Pak dat maar vast en gooi maar toe. "Alleen in de dood zijn we vrienden." Zegt een stem die blijft als een sterrevis, een stervevis, als een callionymus.. * Squonk Opera : "Spoon" 2 min + 1 -145 Alles wat er overblijft in het lot of de ster van deze situatie is alleen al wat ik deed of verkeerd deed. Wat ik erbij kon verzinnen is zelf geen versterking of verbetering van mijn lot : Geef me een lepelke van de ster. Roer me in de melkweg, maar vloer me niet zo op de aarde ! Melkroom van mijn destiny, waar ben ik (weer) verloren gelopen in het geheel, toen ik hier op aarde neerkwam en mezelf vergat (altijd zo rechtstreeks) te geven. Veeg nu maar mijn bestaan weg. Ik ben niets meer dan dit alles, wat ik deed. -------------------------------------------------------------------------------- * Great Lake Swimmers : "Let's trade skins" 5 min “Ik had graag gehad dat je dit had kunnen voelen, had kunnen meemaken, dat ik je vanuit deze essentie dit had kunnen delen. Maar als ik het verkeerde zeg op de verkeerde moment lijkt het slechts de situatie te bevuilen en is er niets meer dat nog iets kan (ver)binden op een gunstige manier : Rillingen ruilen, ..maar trillingen bevuilen ? Dekens, kaars, en lakens wisselen, als de was, "maar goed laten draaien !" (zeg ik dan maar). Neen, zeg ik niet het juiste, al wil ik het wel doen. Wil je rillingen wisselen ? en die lakens ruilen.. doet mijn gepraat vervuilen, en u achteraf bedisselen over wat ik allemaal mis zei. -------------------------------------------------------------------------------- * Over de ‘neutraliserende kracht’ van liefde. Godsdiensten filteren geen idioten uit. Elke godsdienst had een poging achter zich om mensen te verheffen uit hun staat van zelfzuchtigheid naar een grotere context. Op lange termijn zijn de neergeschreven versies als verloren versies van een innerlijke essentie. Hoe meer men het najaagt hoe meer de tegenstellingen van positief en negatief uit elkaar gaat rukken en door beide te willen merken roept men in feite beide op, of toch al zeker het minst opgeloste deel. Crowley beweert dat de grote godsdiensten hun navolgers juist de tegenstellingen uit de hel oproepen. Christenen roepen juist de Satan op, Islamieten roepen juist Bëelzebub op, Hinduïsme roept Luciferiaans denken op en Buddhisten nog een 4de duivel wiens naam ik ben vergeten als waarvoor hij staat. Wie werkelijk in het leven alles draaiende houdt, en in beweging en in onderliggende communicatie zet, en yin en yang juist in volle ornaat doet bloeien, -hoe gek dat ook mag lijken- kan met de nodige aandacht heel wat tot actieve neutraliteit brengen. In een gezin of andere situatie waar heel wat liefde is is er ook een grote kracht om heel wat neutraal te maken. Een beetje aanrakingen kunnen heel wat ziektes neutraliseren. Heel wat ingnorantie, arrogantie, en primitieve zelfingenomenheid en agressie wordt geneutraliseerd bij een dwang om zulke tegenstellingen in een neutrale context en neutrale situatie met aandacht en tijd geven bijeen te brengen… Alle teksten copyright ©2004, Gerald Johan Van Waes.